Dan

Dan – Het oude Laïs
De stad Dan, gelegen in het noordelijke Galilea vlakbij de Golan Hoogvlakte en de grens met Libanon, was oorspronkelijk een Kanaänitische stad, Laïs genaamd. Toen de Israëlieten deze plaats veroverden, veranderden zij de naam in Dan. De plaats werd al bevolkt in Neolithische tijden, werd vervolgens verlaten en daarna opnieuw bevolkt in de Vroege Bronstijd. De vaak gebruikte uitdrukking “van Dan tot Berseba” slaat op het volledige territorium van Israël. Hierin komt tot uitdrukking dat Dan het noordelijkste grenspunt van het land is (2 Samuël 24:2, 1 Koningen 4:25). In 1975 werd een tweetalige inscriptie (in het Grieks en Aramees) ontdekt uit de tweede eeuw voor Christus. Hierop staat “De eed van Zilas aan de god van Dan”, wat een belangrijke bevestiging was van de identificatie van de locatie.

Dan – Een handelscentrum in de oudheid
Laïs, dat later Dan werd genoemd, werd vermeld in een handelsdocument in het Mari-archief. De stad werd bezocht door Abraham (Genesis 14:14) in de Midden Bronstijd. Dan wordt verder vermeld in de Egyptische “vloektabletten” uit dezelfde periode. De stad was in de oudheid een belangrijk handelscentrum, zoals wordt aangegeven door haar ligging bij een van de belangrijkste aanvoerstromen van de Jordaan, op de handelsroute tussen Tyrus en Damascus, de vermelding in teksten uit zowel Mari als Egypte, en de gevonden geïmporteerde voorwerpen uit Griekenland en Cyprus uit de Late Bronstijd.

Dan – Een lange geschiedenis
Dan heeft een aantal interessante en belangrijke archeologische vondsten opgeleverd, waaronder een poort uit de Bronstijd, de Tel Dan Stele, een offerhoogte uit de IJzertijd en lagen uit het tijdperk van de Rechters die op een verwoesting duiden, wat overeenkomt met het tijdstip van de Assyrische verovering van het noordelijke koninkrijk.

In 1980 werd een poort ontdekt uit de Midden Bronstijd, van rond 1750 voor Christus. De poort verbond een eerder opgegraven muur met een systeem van vestingwallen die de hele stad omringden. Het is mogelijk dat Abraham, toen hij in Genesis 14:14 Dan bezocht (Laïs in Rechters 18:7), door een oudere versie van deze poort de stad binnenging. Treden leidden omhoog naar de poort, die bijna vier meter hoog en zes meter breed is en die oorspronkelijk werd geflankt door twee torens. Aan de andere zijde van de poort leidden treden omlaag naar een straat.

Nadat Dan eeuwenlang een Kanaänitisch bolwerk was geweest, werd de stad veroverd, vernietigd en verbrand door de Israëlitische stam van Dan, in de tweede helft van het tijdperk van de Rechters. De zonen van Dan “kwamen in Laïs, bij een rustig en onbezorgd volk, en zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard. En de stad verbrandden zij met vuur. En er was niemand die hen redde, want het lag ver van Sidon vandaan en zij hadden niets met andere mensen van doen. Het lag in het dal dat bij Beth-Rechob ligt. Daarna herbouwden zij de stad en gingen er wonen. Zij gaven de stad de naam Dan, naar de naam van hun vader Dan, die een zoon van Israël was. Vroeger was de naam van de stad echter Laïs” (Rechters 18:27-29). Op dit moment, in het eerste deel van de IJzertijd, was Dan kennelijk al vervallen tot een minder machtige stad met een kleinere handelsinvloed dan eerder in de geschiedenis van de stad. De tekenen van verwoesting die op de locatie werden aangetroffen in de archeologische lagen waren te verwachten. Bovendien werd nog meer bewijsmateriaal gevonden voor verwoestingen in de stad van de 12e eeuw voor Christus en in de stad van de 11e eeuw voor Christus (IJzertijd). De mensen die zich hier vestigden na de verwoesting in de 12e eeuw hadden aanvankelijk een seminomadische cultuur, maar verstedelijkten daarna steeds meer. Archeologen stelden verder vast, op basis van hun analyse van gevonden “pithoi” (enorme opslagpotten) uit de Bronstijd, dat een tiental van deze aardewerken potten waren vervaardigd van buitenlandse klei. Deze ontdekking suggereert dat de nieuwe kolonisten van buitenlandse komaf waren. Het is zeer waarschijnlijk dat de Israëlieten de stad in de 12e eeuw voor Christus vernietigden en zich er vestigden, waarna de stad in de 11e eeuw voor Christus werd verwoest door een vijand van Israël, mogelijk de Filistijnen.

Volgens 1 Koningen 12:26-31, liet koning Jerobeam rond 920 voor Christus twee gouden kalveren en offerhoogten maken in de steden Bethel en Dan. In Dan hebben archeologen een offerhoogte gevonden in het noordwestelijke deel van de stad. Op basis van het gevonden aardewerk concludeerden zij dat de offerhoogte uit de 10e eeuw voor Christus stamt, een teken van het religieuze syncretisme in het noordelijke koninkrijk. De stad werd in het midden van de 9e eeuw voor Christus verwoest, wat waarschijnlijk overeenkomt met de verovering van Dan en andere steden door de bevelhebbers van Benhadad in 1 Koningen 15:20.

Dan – Bewijs voor David
Een stele die in 1994 in Dan werd gevonden, bleek hergebruikt te zijn in de muur vlakbij de toegang tot de buitenste poort van Dan. De stele werd heel toepasselijk de “Tel Dan Stele”, of “Tel Dan Inscriptie”, genoemd. Het is een basalten kleitablet dat in de 9e eeuw voor Christus werd gegraveerd. De tekst is geschreven in het Aramees en beschrijft de overwinning van een Aramese koning op Israël. Een belangrijk gedeelte van de tekst stelt: “Ik heb Joram zoon van [Achab] koning van Israël gedood en ik heb [Achaz]ja zoon van [Joram] koning van het Huis van David gedood” (regels 7-9). De stele werd opgericht door koning Hazaël van Aram. De beschreven gebeurtenissen komen mogelijk overeen met Hazaëls aanval op Israël uit 2 Koningen 10:32. Sommige sceptici beweren dat de Tel Dan Stele niet slaat op het “Huis van David”, maar op het “Huis van de Geliefde” of een andere plaatsnaam, of mogelijk over Jeruzalem als de thuisplaats van David in plaats van een dynastieke titel. Maar “David” is de enige vertaling die zinnig is binnen de context van de stele en de term “Huis van...” was heel gebruikelijk in het Aramees, Assyrisch en Babylonisch om een staat aan te duiden. Deze term wordt ook teruggevonden in 2 Samuël 3:1.

Leer meer!

Met dank aan Titus en onze vrienden van Drive Thru History. Copyright 2010 – Alle rechten voorbehouden in het origineel.


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen